Tussen spreken en zwijgen
- rp1288
- 6 dagen geleden
- 2 minuten om te lezen

Deze week was ik in het oosten van het land bij een bijeenkomst van vrijwilligers van het COA. In een kleine zaal op het azc zaten zo’n vijfentwintig mensen. Ze keken naar me met een soort aandachtige openheid. Mensen die zich inzetten voor asielzoekers, vaak al jaren.
Een man in een ruitoverhemd werkte met kinderen. Hij leerde ze tollen. Aan de andere kant van de zaal zat een vrouw die Nederlandse les gaf. De meesten waren ouder, met de vanzelfsprekendheid van ervaring. Tussen hen ook een paar jongeren.
Ik was daar om te vertellen over mijn boek In de wachtkamer van de toekomst, over het leven van bewoners op een azc. Omdat ik geen monoloog wil houden, vroeg ik al snel welke vragen er leefden.
Een vrouw achter in de zaal stak haar hand op.
“Laatst in de supermarkt,” begon ze, “hoorde ik twee mensen praten over asielzoekers. Dat ze in luxe hotels zitten, geld krijgen, niets doen. Dat iedereen zo wel zou willen leven.”
Ze keek even naar haar handen.
“Ik stond erbij en ik wist niet wat ik moest doen. Ik werk hier. Ik weet hoe het echt is. Het is sober, het leefgeld is laag. Lager dan de bijstand.”
Ze haalde haar schouders op. “Ik vond dat lastig.”
Er viel een stilte die niet meteen werd ingevuld.
Toen ik vroeg hoe anderen dit zagen, kwam er beweging in de zaal. Alsof iedereen tegelijk een ingang zocht om iets te zeggen.
Je moet je uitspreken, zei iemand.
Je moet ook oppassen, zei een ander. Je weet niet hoe mensen reageren.
Er werd gesproken over veiligheid. Over wat er “de laatste tijd” gebeurt. Een plaatsnaam viel. De woorden bleven niet hangen, ze botsten eerder tegen elkaar.
Ik luisterde en merkte dat er geen helder antwoord kwam. Ik wist het zelf ook niet.
Wat doe je op zo’n moment?
We leven in een tijd waarin uitspreken niet vanzelfsprekend is. Niet omdat mensen het niet weten, maar omdat de ruimte tussen zeggen en zwijgen steeds kleiner lijkt.
Ik vroeg de vrouw of ze uiteindelijk iets had gezegd in de supermarkt.
“Nee,” zei ze.
En hoe dat voelde?
Ze keek kort op.
“Slecht.”



Opmerkingen